Ezechiël – de Heerlijkheid van God

Print

Ezechiël was onder de mensen die tijdens de 3e, en laatste, Babylonische invasie gevangen werd genomen en meegenomen werd naar Babylon. In het 5e jaar van zijn gevangenschap, toen hij dertig jaar oud was, werd hij door God geroepen als profeet.

Net als Jeremia, die op dat moment nog als profeet in Jeruzalem was, was hij zowel priester als profeet. Waarschijnlijk was Daniël van ongeveer dezelfde leeftijd als Ezechiël. De profetieën in het boek kwamen in een periode van ongeveer 22 jaar tot stand.

Vorm en stijl
De profetieën van Ezechiel zijn over het algemeen in de ‘apocalyptische’ stijl, net als Daniël en Openbaringen. In het boek is sprake van veel symboliek en imaginaire woordgebruik, waardoor het niet eenvoudig is het boek te begrijpen.

Bepaalde uitdrukkingen komen in het boek veelvuldig voor. Zo wordt Ezechiël 91 keer aangesproken als ‘mensenzoon’. Ook de uitdrukking ‘de hand des heren was op mij’ (of ‘hem’) komt vaak voor. Tot zeventig maal lezen we ‘en zij zullen weten dat Ik de Here ben’.

Structuur van het boek
We moeten bij het lezen in gedachten houden dat Ezechiël al geruime tijd vóór de vernietiging van Jeruzalem begon te profeteren. Chronologisch gezien kan het boek dus als volgt worden ingedeeld:

I. Profetieën van vóór de vernietiging van Jeruzalem

  • Profetieën aan- of tegen Juda (1-24);
  • Profetieën aan- tegen de heidenen (25-32);

II. Profetieën gegeven ná de vernietiging van Jeruzalem

  • Profetieën over het Nieuwe Leven (33-37);
  • Profetieën over Gog en Magog (38-39);
  • Israël in het Duizendjarig Rijk (40-48).

Ezechiël werd door de Here geroepen om tot een rebels volk te gaan welke Zijn Woord niet wilde horen:

Ezechiël 2:3,4
3 Hij zeide tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn van Mij afgevallen tot op deze eigen dag; 4 zelfs de kinderen zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HERE.

Maar of zij nu wilden luisteren of niet, het was Ezechiël’s opdracht te gaan en het Woord van de Here te brengen aan ze. Hij moet spreken over het komende oordeel over Jeruzalem (4-7). In hoofdstuk 8 wordt hij, in een visioen, meegenomen naar Jeruzalem en ziet de ‘heerlijkheid van God’ uit de Tempel vertrekken.

We lezen hierover in hoofdstuk 11:
22 Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de God van Israël boven over hen was; 23 de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt.

De Here kon niet meer verdragen wat er gebeurde in Jeruzalem, Zijn stad en woning!, en vertrok vandaar zoals hij er ook ooit eens zijn intrek had genomen toen Salomo:

2 Kron. 7:1, 2
1 Zodra Salomo zijn gebed geëindigd had, daalde vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis. 2 De priesters konden het huis des HEREN niet binnengaan, want de heerlijkheid des HEREN had het huis des HEREN vervuld.

De priesters konden er niet binnengaan! Opvallend is, in Ezechiël, dat de Heerlijkheid des Heren, in hoofdstuk 10, ‘op de drempel staat’ oftewel op het punt te vertrekken uit de Tempel en dat het volgende wat gebeurt de dood is van Pelatja – één van de vorsten van het volk die het volk verleid tot afkeer van God – die, volgens 11:1 bij dezelfde poort was als waar de Heerlijkheid des Heren de Tempel verliet. Hij valt dood neer. Dit doet ons denken aan het feit dat de Bijbel leert dat niemand kan leven als hij God heeft gezien… Het wordt niet duidelijk of dat de doodsoorzaak is van Pelatja, maar het verband lijkt er te zijn.
Via Ezechiël laat de Here weten dat er géén koningen (uit het huis van Juda uiteraard) meer in het land zullen zijn tótdat de Messias komt. Door het overlijden van zijn vrouw, waar hij klaarblijkelijk zielsveel van hield aangezien zij “de lust van zijn leven” (24:16) wordt genoemd, wordt Ezechiël zélf –uiteindelijk- een teken voor het volk. Hij mag over haar géén publiekelijke rouw bedrijven, net zoals dat Israël géén rouw mag bedrijven over het ontnomen worden van háár “lust van haar leven”; de Tempel wordt verwoest, God verlaat hen, en ze mogen er géén rouw over bedrijven.

Nieuw leven
Door de profetieën van Ezechiël heen klinkt een betere toekomst; het nieuwe leven, de komst van de Messias en het herstel van Israël.

Ezechiël 36
33 Zo spreekt de Here HERE: Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden; 34 het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger. 35 En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond. 36 Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de HERE, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen. 37 Zo zegt de Here HERE: Ook dit zal Ik Mij door het huis Israëls laten afsmeken om hun te doen: Ik zal hen zo talrijk aan mensen maken als een kudde schapen; 38 zo vol als met een kudde offerschapen, als met de kudde schapen op Jeruzalems feesten, zó vol zullen de verwoeste steden zijn met mensenkudden. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

De herbouwde Tempel
Ezechiël profeteert over de herbouw van de Tempel en het herstel van Israël –met name over Israël in het Millennium- in hoofdstuk 40-48. Sommigen menen dat de na de ballingschap herbouwde Tempel dit geprofeteerde herstel was. Dat is echter onjuist; ten eerste stelden de Israëlieten toen al met verdriet vast dat het een Tempel was die niet in de scháduw kon staan van Salomo’s Tempel (zie Ezra, Nehemia) maar belangrijker is het tweede punt: in de door Ezechiël geprofeteerde Tempel zal de Heerlijkheid van God weer aanwezig zijn!

De Here vertrok “oostwaarts” en keert ook weer terug vanuit het oosten. Hij gaat naar ‘de berg’, en in Zach 14:3-6 lezen we welke berg dat is: de Olijfberg! Dáár zal de Here zichtbaar terugkeren!

De terugkeer van de Here, in de door Ezechiël geprofeteerde Tempel, is dus het moment van de totale bevrijding van Israël. Het is ook het moment dat Israël zich zal bekeren en in de Tempel zal niemand zijn die ongelovig, onbekeerd, is (Ez 44:9 “Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan”).

De Here Jezus bevond zich veel op de Olijfberg: “En Hij verliet de stad en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg” (Luk. 22:39) en we weten nu dus ook waarom: het was de plaats waar de Here God zich naar had teruggetrokken

De aanwezigheid van de Here God, in Jeruzalem, in de Tempel, zal het belangrijkste kenmerk zijn, het -om het zo maar eens te zeggen- hoogtepunt en duidelijkste teken van het totale herstel van Israël in het Duizendjarige Rijk, het Millenium. Van daaruit zal de aarde geregeerd worden. En daarom ook zal er geen enkele ‘onbesnedene van hart én lichaam’ aanwezig kunnen zijn op die plaats, waar God’s Heerljikheid is!

Print

Geef een reactie