Tag: Ballingschap

Daniël

DaniëlHet boek Daniël vormt ‘de sleutel tot de gebeurtenissen in de wereld’. Het is het frame waarbinnen de andere profetiën in de Bijbel vallen en essentieël voor de interpretatie van de profetische boeken – in het bijzonder de Openbaring(en).

Het boek Daniël speelt daarmee een zeer bijzondere rol in de profetische boeken, in de openbaring van God door Zijn Woord. Het is opmerkelijk dat er in zo’n relatief klein boek, in zo’n kort bestek, zoveel informatie over de toekomst gegeven is!

Schrijver, historische achtergrond
Het boek is geschreven door een jonge Joodse edelman, genaamd Daniël, die werd weggevoerd in ballingschap naar Babylon (1e inval van de Babyloniërs, 606 v.Chr). De Here Jezus noemt hem ‘Daniël de profeet’ (Mat 24:15). Daniël was een jonge man toen hij weggevoerd werd, en maakte de ballingschap van begin tot einde mee. Daarmee is hij aan het einde van de ballingschap ergens tussen de 80 à 90 jaar oud. Hij was een tijdgenoot van Jeremia (die in Juda verbleef) en Ezechiël (eveneens in Babylon). Ezechiël noemt hem in zijn profetieën drie maal: Eze 14:14, 14:20, Eze 28:3. Vooral Ezechiël 28 is in dit verband bijzonder, omdat hier de wijsheid van Daniël algemeen bekend blijkt te zijn zelfs zó bekend dat de koning van Tyrus klaarblijkelijk bekend was hiermee.

De historische achtergrond van het boek is te vinden in II Koningen, II Kronieken en delen van het boek Jeremia: de éérste inval (en het begin van de ballingschap) door de Babyloniërs. Bij deze éérste inval werden alleen de adelijke Joden, de bestuurslaag, weggevoerd naar Babel. Een beperkt aantal bleef achter, onder Babylonisch bestuur.

Indeling van het boek, taal
Het boek Daniël valt in twee delen uiteen: de historische beschrijving (Daniël in Babylon als jonge man, hoofdstuk 1-6). Het tweede deel bevat de visioenen van Daniël (hoofdstuk 7-12).

Het boek is, heel opmerkelijk, in twee talen opgesteld.

  • Hoofdstuk 1:1-2:3 -> Hebreeuws;
  • Hoofdstuk 2:4-7:28 -> Aramees;
  • Hoofdstuk 8:1-12:13 -> Hebreeuws.

In onze vertaling zien wij dat niet terug, uiteraard. Het Aramees is nauw verwant met het hebreeuws, en was de ‘voertaal’ in Babylon in Daniël’s tijd. Daarnaast bevat het boek een aantal Perzische woorden en drie Griekse woorden: de namen van een aantal muziekinstrumenten (hoofdstuk 3).

Kritiek
Juist het feit dat het boek in twee talen geschreven is, én enkele perzische en griekse woorden bevat, is een reden dat critici menen dat het boek ‘in de 2e eeuw v. Chr’ zou zijn ‘gefabriceerd’. Daarnaast is men van mening dat het ‘onmogelijk’ is dat de profetieën vooraf zó nauwkeurig zouden zijn geschreven. Zo lezen we:
“..Exegeten die uitgaan van een latere datering zien in de visioenen uit Daniël 7-12 geen toekomstvoorspellingen, maar geschiedschrijving in de vorm van een toekomstvisioen..” (Wikipedia).

Men gaat daarbij echter volledig voorbij aan het feit dat de historiciteit van Daniël bevestigd wordt in Ezechiël, er verwijzingen naar hem zijn in de Apocriefe (Joodse) boeken, de geschiedschrijving van Josephus, de historische feiten in het boek en bovenal de bevestiging van Daniëls profetische bediening door de Here Jezus. Daarnaast bevat de Bijbel ook soortgelijke, zeer gedetailleerde, profetieën in andere boeken. Waarom zou dat bij Daniël nu juist niet ‘historisch betrouwbaar’ zijn, en in andere boeken géén probleem leveren?

Het gebruik van een aantal perzische- en griekse woorden moet ons ook niet bevreemden; Daniël lééfde immers (gedeeltelijk) in de perzische periode! De drie griekse woorden, muziekinstrumenten, zijn ook zeer wel verklaarbaar: aan het hof van de Babyloniërs waren, zo is uit modern onderzoek gebleken, Grieken (wachters, soldaten) in dienst. Het is niet zo vreemd dat zij muziekinstrumenten meebrachten en daarvan de griekse namen door Daniël zijn overgenomen (hij wist immers niet beter?)..

De kritiek zinkt dus volledig in het niet bij de bewijzen voor de historiciteit en het getuigenis van het boek. Wanneer het in de 2e eeuw v.Chr. zou zijn geschreven, ten slotte, als een ‘historisch verslag’ omdat ‘de profetieën te gedetailleerd zijn’ hebben de critici nog een ander probleem. De komst van de Messias is beschreven (net als in andere onder vuur liggende profetie) vóórdat die komst realiteit werd én.. het einde van het Romeinse Rijk is er in beschreven (Daniël 2, Daniël 7). Dit rijk overheerste in de 2e eeuw v.Chr. nog niet het Joodse volk maar was nog in opkomst! Dus ook hier hebben de critici een probleem.. Daarnaast wordt in Daniël ook nog het Rijk van de anti-Christ voorspelt en de overwinning hierover door de Here Jezus. Het lijkt er dus sterk op dat de kritiek er op gericht is de Bijbelse toekomstverwachting van- en aan Christenen te ontnemen!

Vier wereldrijken
In de droom vna Nebukadnessar, hoofdstuk 2, en het visioen van de vier dieren (hoofdstuk 7) zien we een beschrijving van vier grote wereldrijken die wereldgescheidenis zouden schrijven. Daarnaast zijn het vier rijken die van grote invloed zouden zijn op het volk van Israël. Deze vier rijken zijn: Babylonië, Perzië, Griekse rijk en het Romeinse rijk.

De (70) jaarweken
Een bijzonder onderdeel van het boek Daniël zijn de 70 ‘jaarweken’. In het boek Daniël wordt de tijd van de Gemeent, de ‘bedeling (= periode) van de genade’, niet gezien.

Dit is eigenlijk wel logisch omdat Daniël een profeet voor Israël was. Daarnaast zegt 1 Petrus 1:10, 11 tevens over de verhouding tussen de OT-ische profeten en de gemeente:
Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna.

Het was de OT-ische profeten niet gegeven de Gemeente, het genade-tijdperk, te zien. Pas achteraf begrepen ook veel van de Joodse, religieuze, leiders het werk van Christus en kwamen ook veel priesters tot geloof (Hand. 6:7).

Dit moeten we in ons achterhoofd hebben en houden om de profetie in Daniël 9 te kunnen begrijpen. In 9:24 v.v. lezen we dat er ’70 weken’ zijn vastgesteld voor Israël en dat aan het éinde van die 70 weken “eeuwige gerechtigheid” gebracht zal worden. We weten dat dat tot op heden nog niet gebeurd is. Van de 70 door Daniël opgeschreven ‘weken’ zijn er 69 geweest. De 70e ligt, op dit moment, nog in de toekomst.

In deze verzen van Daniël 9 lezen we:

  1. vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken;
  2. tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden;
  3. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming;
  4. en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is;
  5. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden.

Algemeen wordt aangenomen dat met een ‘week’ een periode van zeven jaar wordt bedoeld. Dit is af te leiden aan de hand van de na de profetie volgende geschiedkundige gebeurtenissen, onder andere, maar tevens is het zo dat het een gebruikelijke uitdrukking was. Het letterlijk nemen als zijnde ‘weken’ geeft geen enkele, logische, verklaring voor de genoemde gebeurtenissen. Het onder vier genoemde is de periode die Daniël niet of nauwelijks ‘zag’ c.q. mócht zien; de tijd waarin wij nu leven.

De enige aannemelijke verklaring van dit gedeelte is daarom als volgt:

  1. Het herstel van Jeruzalem vanaf het moment dat deze opdracht gegeven werd heeft 49 jaar gekost (7 weken x 7 jaar = 49);
  2. Na 434 jaar zou een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen Hem was (punt 2, 3). Dit komt exáct overeen, gerekend vanaf het moment dat de stad herbouwd was, met de kruisiging van Christus;
  3. Daarná zou de stad verwoest worden en er sprake zijn van verwoestingen. Ook dit hebben we gezien in de geschiedenis: in het jaar 70 werd Jeruzalem verwoest (punt 4).

Vervolgens wordt er opeens gesproken over een verbond, van één week (= 7 jaar) waarna de voleinding volgt (= het einde van de vervolgingen en verdrukkingen voor Israël, waarover deze profetie immers gaat?). In Daniël twaalf lezen we hier ook (weer) over. Ook lezen we daar over de opstanding van de doden ná die periode. Alles sluit daarom dan ook precies aan op wat we hierover weten uit het Nieuwe Testament, met name uit de Openbaring.

Jeremia

Jeremia is de schrijver van twéé boeken: Jeremia en Klaagliederen. Het boek Jeremia is het langste profetische boek in de Bijbel. Hij was priester én profeet en leefde in een stad een paar kilometer ten noorden van Jeruzalem (gebied van Benjamin). Jeremia wordt in diverse andere boeken van de Bijbel genoemd zoals 2 Kronieken, Ezra, Daniël en Matteüs.

Jeremia was “de profeet van de val van Juda”. Tijdens het begin van zijn bediening waren Sefanja en Habbakuk zijn tijdgenoten. Aan het einde van zijn bediening, terwijl hij in Jeruzalem als profeet optrad, bevonden Daniël en Ezechiël zich inmiddels in Babylon.

Het boek van de Wet
Vijf jaar nadat Jeremia zijn bediening als profeet begon werd tijdens herstel-/reparatie aan de Tempel het ‘wetboek’ terug gevonden. De vondst van dit boek leidde er toe dat Koning Josia zich bekeerde, alsmede een groot deel van het volk. Een opwekking was het gevolg.

Speelbal
Juda was de ‘speelbal’ tussen Egypte en Babylon. De beide machten streden met elkaar om de overheersing van het gebied waar ondermeer Juda zich bevond. In het begin van Jeremia’s bediening was Israël onder Egyptische overheersing gekomen.

Josia kwam om in een slag met de Egyptenaren en werd opgevolgd door (na elkaar) twee van zijn zoon, beide vazallen van de Egyptenaren die het land bezet hielden. De tweede zoon, Jojakim, was koning toen de Babyloniërs het land binnenvielen (de eerste ballingschap, 606 v.Chr) en bleef de rest van zijn leven als vazal van Babylon als koning aangesteld. Hij werd door zijn zoon Jojakin opgevolgd, die drie maanden regeerde. Tijdens zijn regering vond de 2e Babylonische invasie plaats.

Nebukadnessar stelde Zedekia (Mattanja), de oom van Jojakin aan als koning. Hij was 21 jaar oud toen hij als koning werd aangesteld en regeerde 11 jaar. Hij was de laatste koning van Israël en kwam in opstand tegen de Babyloniërs, met als gevolg dat zij voor de 3e keer het land binnenvielen (586 v.Chr). Zijn opstand kwam hem duur te staan; na een drie jaar durende belegering werd Jeruzalem ingenomen, zijn zonen werden door de Babyloniërs voor zijn ogen vermoord waarna ze hem de ogen uitstaken en geboeid afvoerden naar Babel (2 Kon. 25:7).

Jeremia’s boodschap
Jeremia moest het volk regelmatig vertellen dat zij zich moesten onderwerpen aan vreemde mogendheden. Dit werd hem niet in dank afgenomen; toch was het de opdracht die hij kreeg van de Here om dit zijn volk voor te houden. Jeremia hield het volk voor dat de Babylonische ballingschap komende was en dat zij zich moesten onderwerpen hieraan (hoofdstuk 2 t/m 45). In de hoofdstukken er na volgen een aantal profetiën tegen de volken (46-51) en het laatste hoofdstuk, 52, volgt een soort van “historische samenvatting”.

De verwoesting uit het Noorden
Hoe accuraat de profetieën in God’s Woord zijn, blijkt wanneer we de 2e profetie van Jeremia bestuderen. In Jeremia 4 lezen we namelijk het volgende:

Jeremia 4:5-6
“Boodschapt in Juda, laat horen in Jeruzalem en zegt: Blaast de bazuin in het land, roept luidkeels en zegt: Verzamelt u en laat ons in de versterkte steden gaan! Steekt omhoog het signaal: naar Sion! Bergt u, blijft niet staan! Want het onheil breng Ik uit het Noorden, een groot verderf.”

Invasie Babyloniërs vanuit het Noorden

Babylon was echter in het Oosten. Dit zou aanleiding kunnen geven, voor sommigen, te stellen of te denken dat de profeet zich dus vergist heeft. Niets is minder waar! Hoewel de Babyloniërs ten oosten van Israël woonden, vielen zij het land binnen vanuit het Noorden! Zie de afbeelding.

(“Survey of the Old Testament”, Part 2, Moody Bible Institute)

Droogte
Eén van de profetieën uit Jeremia, de aankondiging van de droogte in hoofdstuk 14 v.v., toont Israël dat het verbreken van het verbond met de Here er toe leidt dat Hij de straf daarover aangezegd ten uitvoer brengt: Deut 28:23-24.

Belofte(n) van herstel
Hoewel er in Jeremia veel oordeelsaanzeggingen zijn, is er ook belofte van herstel. In het beeld van de pottenbakker (Jer. 18:4,5) toont God dat Hij met het volk kan, en zál, doen als een pottenbakker: “Mislukte de pot die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot [..] Zal Ik niet met u kunnen doen zoals deze pottenbakker, o huis Israëls?“. Vgl. ook Jeremia 23:5,6. Een profetie die wijst op de komst van Christus Jezus en het ééuwige herstel dat hieruit voortvloeien zal.

Op de kórte termijn mag Jeremia óók van herstel spreken; Jer 25:11-14 is helder hierover. De Ballingschap zou zeventig jaar duren, en niet langer! Dán zou Juda hersteld worden en terug mogen keren. Dit was dan ook de profetie welke Daniël kende (het is de énige profetie die hierover zo spreekt!) toen hij pleitte bij de Here voor terugkeer naar het land

Daniël9:2
in het eerste jaar van zijn koningschap lette ik, Daniël, in de boeken op het getal van de jaren, waarover het woord des HEREN tot de profeet Jeremia gekomen was, dat Hij over de puinhopen van Jeruzalem zeventig jaar zou doen verlopen.

Wie is de schrijver?
Omdat de profetische boeken vaak ‘onder vuur’ liggen, zoniet de Bijbel in zijn geheel, is het noodzakelijk kennis te nemen van- en ons te kunnen verweren tégen de kritiek op God’s Woord.

Critici *) zijn van mening dat (het boek) Jeremia door “een auteur” zou zijn samengesteld “uit diverse bronnen en overleveringen” en in de loop van de tijd “verschillende malen opnieuw geredigeerd” zou zijn. De tekst zou dan uiteindelijk “pas laat” zijn uiteindelijke vorm hebben gekregen. Wanneer dat ‘pas laat’ zou zijn geweest, laat men in het midden. Daarom is de link naar Daniël des te interessanter. Dezelfde critici namelijk stellen dat het boek Daniël “in zijn huidige vorm uit de eerste helft van de 2e eeuw v.Chr. stamt“. Als dat zo is, dan moet in elk geval Jeremia ook rond of voor die tijd zijn “samengesteld”, anders zou immers de schrijver van het boek Daniël niet hebben geweten van de belofte welke in Jeremia te vinden is aangaande de 70 jaar.

Men gaat hierbij dus totaal voorbij aan de verifieerbare feiten met betrekking tot de historiciteit van zowel Jeremia als Daniël. Zoals mogelijk bekend gaan schriftcritici er dan ook van uit dat de ‘profetieën’ niet écht zijn gedaan voordat zaken plaatsvonden maar pas achteraf op schrift zijn gesteld (vandaar “de enorme accuratesse”).

Vergeten wordt dan ondermeer:

  1. achteraf, minimaal 4 eeuwen later!, op schrift gestelde of ‘geredigeerde’ geschriften kunnen nooit of te nimmer zó accuraat zijn als de profetieën van Jeremia (en Daniël), zeker niet als zij zijn gebaseerd op “mondelinge overleveringen”, zoals men beweerdelijk stelt;
  2. zou het e.e.a. daadwerkelijk “achteraf” op schrift zijn gesteld, op grond van overleveringen, redactie, enz. dan is er een probleem met andere delen van het boek. Het valt voor niemand te ontkennen dat de eerdergenoemde profetie in bijv. Jeremia 23, welke de komst van Christus beschrijft, 100% accuraat was én.. vóór Zijn komst op schrift is gesteld. Hoe kan nu dit passen binnen een boek dat volgens hen, feitelijk, géén profetisch boek is maar slechts een verzameling overleveringen? En hoe past dit binnen hun eigen “feiten” die stellen dat het boek ca. 200 v. Chr. is “samengesteld”?

Er is geen enkele twijfel, zelfs bij veel critici, dat Jeremia daadwerkelijk heeft bestaan. Er is ook geen enkele twijfel dat zijn secretaris (schrijver) Baruch, een hoogstaand man en schriftgeleerde, daadwerkelijk heeft bestaan. Er is geen twijfel mogelijk dat de profetieën over bijv. de komst van Christus 100% accuraat zijn en zijn uitgekomen waarbij deze tevens vóór zijn komst zijn opgeschreven.. waarom is er dan wél twijfel, althans probeert men twijfels te zaaien, over de vraag of Jeremia het boek wel heeft geschreven?

Wat is het dóel van dergelijke kritiek op God’s Woord? Mijns inziens is er maar één antwoord op mogelijk: men is er op gebránd om God’s Woord, en dan met name de profetieën, op slinkse wijze in een kwaad daglicht te stellen. Men is gericht op het “onderuit halen” van God’s Woord. Deze mensen zijn daarom niet anders te duiden dan ongelovigen, als tégenstanders van God’s Woord.

Kleitablet JeremiaMoeten wij onze oren laten hangen naar zij die God’s Woord verwérpen? Laten we eens één buitenbijbels feit naar voren brengen, tot slot. In juli 2007 werd bekend dat er een kleitablet was ontdekt (zie afbeelding) waarop de naam voorkomt van een belangrijke Babylonische ambtenaar die volgens het Bijbelboek Jeremia met koning Nebukadnessar II Jeruzalem veroverde in het elfde jaar van koning Sedekia van Juda.

Alléén het boek Jeremia én deze kleitablet spreken hierover. De opwinding hierover was dan ook, wereldwijd, groot! Hoe zou nu iemand, die 4 eeuwen later het boek Jeremia “knipt en plakt” uit overleveringen deze naam, van een ambtenaar, zo exact hebben geweten? De vraag stellen is ‘m beantwoorden, lijkt mij.. Maar helaas blijkt dat zelfs orthodoxe Christenen tegenwoordig van dit soort (letterlijk!) hard bewijs niet meer onder de indruk zijn.

Zo schreef het Nederlands Dagblad nota bene in een commentaar:
de nu gedane vondst is inderdaad zeer opmerkelijk. Maar van hard bewijs van de historiciteit van het boek Jeremia is geen sprake. Er kunnen meer hondjes zijn geweest die Nebusarsechim heetten. Of de schrijver van het ooit als fictie geschreven boek Jeremia (..)”.

Wanneer een schrijver van- of in het Nederlands Dagblad (die zichzelf een Christelijke krant noemt) uitgaat van de axioma dat het boek Jeremia, waarin nota bene de komst van de Verlosser én het herstel van Israël tot in detail zijn beschreven (een deel zal zelfs nog vervuld moeten gaan worden) , als “fictie” betiteld zal geen énkel hard bewijs hem of haar overtuigen van de waarheid van God’s Woord. Wie vanuit óngeloof de Schriften benaderd, zal er nooit iets van (willen) leren.

De critici zullen dan ook nooit begrijpen wat Paulus schreef aan Timoteüs en welke ook wij als gelovigen “in onze oren moeten knopen”:

2 Timoteüs 3
14 Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd, 15 en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. 16 Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.

____
*) Inleiding op Jeremia, NBV, 2e druk, 2005. Zie in dt verband ook het gedeelte over Jesaja.

I & II Kronieken

Ook I & II Kronieken waren, net als Samuël en Koningen, eerst één boek. De originele naam betekent “journalen” of “dagverslag”. De Kronieken moeten niet verward worden met de “kronieken der koningen van Israël” en de “kronieken der koningen van Juda” (1 Kon 22:39, 46). Dit waren namelijk officiële verslagen, zogenaame “rechtbankverslagen”, van de twee landen.

De Kronieken zijn later geschreven dan Koningen, aan het einde van de Babylonische ballingschap, vermoedelijk door Ezra – priester en schrijver. Veel van wat we in Kronieken lezen vinden we ook in Koningen terug. Echter, vanuit een ánder standpunt:

  1. Koningen: de geschiedenissen vanuit regering/politiek beschouwd;
  2. Kronieken: vanuit de ‘geestelijkheid’ (priesters) beschouwd.

Sommigen beweren dat er tegenstrijdigheden zouden zijn in de boeken maar wanneer we weten dat ze allebei vanuit een verschillende invalshoek zijn geschreven ontdekken we: de boeken vullen elkaar áán. In Koningen staat ‘de Troon’ centraal, in Kronieken ‘de Tempel’.

Het centrale thema van Kronieken is de voorbereiding van de bouw van de Tempel, de bouw er van en de diverse reformaties door de koningen.

Kronieken is als volgt in te delen:

I Kronieken

  1. Genealogie
  2. De regering van David

II Kronieken

  1. De regering van Salomo
  2. De Koningen van Juda tot de Babylonische ballingschap.

De opbouw is daarmee grotendeels gelijk aan Koningen. Werd echter in Koningen de meeste aandacht besteed aan Israël (Tien Stammen), hier ligt overduidelijk de nadruk op Juda. Dat is ook logisch: de Tempeldienst was in Juda (Jeruzalem).

Geslachtsregisters
De aandacht voor de geslachtsregisters kent een goede reden; voor het volk Israël waren deze registers zeer belangrijk. Daarnaast leren ze ons ook iets: God handelt met de méns, niet met volken, (politieke) bewegingen e.d. De Kronieken beginnen eenvoudigweg met de opsomming: “Adam, Set, Enos, Kenan, Mahalalel, Jered, Henoch, Metuselach, Lamech, Noach, Sem, Cham en Jafet…“. De mensen die God verkiest -en Zijn beloften aan deze mensen- staan centraal! Het is dan ook geen complete genealogie van de mensheid. Vanaf Adam tot aan de Stam Juda en het uitverkoren koningshuis van Juda, het huis van David.

Israël kende in die tijd al een soort van bevolkingsregister: “Geheel Israël was in registers opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden naar Babel weggevoerd om hun ontrouw.” (1 Kron. 9:1). Wanneer we deze hoofdstukken lezen, áls we ze al lezen!, vinden we dit vaak maar saaie en taaie kost. Al die namen,.. het zegt ons niets.

Troon van David
Maar, zoals gezegd, dienen deze registers een belangrijk doel voor het volk Israël en bovenal is er nog een belangrijke, andere, reden waarom deze registers zelfs in God’s Woord zijn opgenomen! In Matteüs 1 vinden we namelijk het geslachtsregister van Jezus (geredeneerd vanuit zijn menselijke vader, Jozef(*)). Dit was voor de Joden zeer belangrijk omdat Jezus alléén dan de Messias kon zijn wanneer hij een afstammeling, naar de mens, van het huis van David was. En dan is het nóg opmerkelijker het volgende te zien: niet alleen vanuit Jozef -dus naar de mens, of “om de mens tevreden te stellen”- gezien was Jezus afstamming van David, óók Maria stamde uit het huis van David!

In Lukas 3:23 v.v. staat namelijk een ánder, zo op het eerste gezicht, tegenstrijdig geslachtsregister van Jozef. Daar staat dat Jozef de “zoon van Eli” was. Terwijl in Matteüs staat vermeld dat Jozef de “zoon van Jakob” was. Het raadsel wat we hier aantreffen is echter eenvoudig op te lossen: Eli was de vader van Maria. Naar de gewoonte van die tijd echter werd Jozef (Luk. 3:23) “waarvan men meende” dat hij Jezus’ vader was, gerekend tot de huishouding van zijn schoonvader. Vergelijk bijv. 1 Sam 24:17 waar David, die zou gaan trouwen met één van Sauls’ dochters, door Saul als “zoon” gezien wordt.

Een andere opmerkelijkheid in dit verband: Jozef was uit de bloedlijn van Jechonia. Die, hoewel hij recht zou kunnen doen gelden op de troon, deze troon ontzegd was: Jer. 22:29, 30. Maria was uit de lijn van Nathan, een andere zoon van David, die geen rechten konden laten gelden op de troon. Christus Jezus was dus wel degelijk uit het geslacht van David, via Maria, maar had geen rechten op de troon ténzij.. hij gerekend werd als “zoon” van een man die dat wel kon doen: Jozef. Dit toont tévens aan waarom Christus Jezus niet letterlijk een zoon, van vlees en bloed, van Jozef kón en mócht zijn. Was Hij dat wel geweest, dan was het ónmogelijk dat Hij, de Messias, de Troon van David zou kunnen beërven omdat de troon ontzegd was aan deze ‘bloedlijn’. Dit was dan ook de énige manier waarop de Troon van David weer hersteld kon worden!

De profetie is op zeer wonderlijke wijze vervuld in Christus Jezus. In álle opzichten was er een zoon van David die de troon weer kon (kan) opeisen! Naar de mens gesproken was deze weg afgesneden, maar de Goddelijke interventie is en profetie is boven alles, boven alle denken verheven.

Geslachtsregisters saai? Ze zijn de sleutel tot de profetie en het verstaan er van!

Reformaties
In II Kronieken lezen we over diverse reformaties in Juda. Een van de grootste koning-reformatoren was Hizkia (zie o.a. 2 Kron. 29, 30). Men is van mening dat Jesaja een drijvende kracht achter Hizkia’s reformatie was.

Daarnaast mag ook Koning Josia niet onvermeld blijven. Op achtjarige leeftijd werd hij Koning en toen hij 16 jaar oud was “begon hij de Here te zoeken”. II Kronieken vermeldt van hem: “Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links.“. Toen hij twintig jaar oud was liet hij Jeruzalem en Juda reinigen van alle afgoderij, hij hakte persoonlijk de wierrookaltaren van de Baäls om en zelfs in grote delen van Israël hield hij “grote schoonmaak” door de afgodsbeelden en altaren te vernietigen. Hij liet de Tempel herstellen en de wet werd teruggevonden en weer ingevoerd.

Helaas volgden na Josia vier andere koningen die het volk, zowel letterlijk als geestelijk, naar de afgrond voerden middels de afgoderij en rebellie tegen God’s Woord. Het resulteerde in de Babylonische ballingschap.

*) Jozef was uiteraard niet de verwekker van Jezus, maar het recht op de troon was vanuit de mánnelijke lijn. Er was voorzegd dat de Messias de troon van David zou erven, zie ondermeer: Jes. 9:7; Jer. 33:15-17; 25:5; Ps. 132:11; 1 Kron 17:11-14.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van:

  • Survey of the Old Testament I, Independent Studies, Moody Bible Institute;
  • De Messias in het Oude en Nieuwe testament, door: Jb. Klein Haneveld
  • NET.Bible, 1st edition

Ezra, Nehemia, Ester

Ezra, Nehemia en Ester gaan alle drie over de geschiedenis ná de Babylonische ballingschap.

EZRA
Met name Ezra (2e deel) en Nehemia zijn aan elkaar gerelateerd. Zij waren tijdgenoten.

De geschiedenis van Ezra, de priester en schrijver, is vastgelegd in het gelijknamige boek. Het boek vertelt over de terugkeer van het volk onder Zerubbabel (een nakomeling van David), de herbouw van de Tempel en de komst -naar Jeruzalem- van Ezra zelf.

Het boek bestaat uit twee onderscheiden delen:

  1. De terugkeer onder Zerubbabel (1-6);
  2. De terugkeer onder Ezra (7-10).

Het boek Daniël heeft -op de achtergrond- een sterke relatie met het boek Ezra. Zo schreef iemand eens “achter het boek Ezra zien we de schaduw van een biddende man”, dat is, uiteraard: Daniël. Hij pleitte voor zijn volk bij de Here en “stond op de beloften”. Naast Daniël was overigens ook Ezechiël één van de naar Babel weggevoerden.

Onder Zerubbabel werd de tempelbouw gestart maar men was niet in staat de herbouw af te maken door de tegenstand van de mensen die waren gaan wonen in het gebied. Onder de regering van Koning Darius werd, aangemoedigd door Haggaï en Zacharia, door het volk weer gestart met de verdere herbouw van de tempel. Ongeveer 20 jaar nadat Zerubbabel de funderingen had gelegd werd de tempelbouw afgerond.

Tussen de éérste (Zerubbabel) en de twééde (Ezra) terugkeer ligt een periode van bijna zestig jaar. Het boek Ester schrijft ondermeer over wat er in die tussenliggende periode gebeurd is. De tegenstand tegen de joden, in Jeruzalem, heeft daarom wellicht een relatie met Haman de Syriër’s poging om de joden uit te roeien.

In het tweede deel van Ezra lezen we over Ezra’s eigen terugkeer naar Jeruzalem. Hij was een afstammeling van Aaron, een priester uit het hogepriesterlijke geslacht. Hij was ook een ‘schrijver’; een aanduiding voor die priesters die verantwoordelijk waren voor het kopieëren van de Heilige Schrift. Ezra’s bediening was voornamelijk gééstelijk. Hij onderwees het volk in de Wet en de aanbiddingsdienst.

NEHEMIA
Nehemia heeft dezelfde historische achtergrond als Ezra (2e deel). Nehemia’s boek begint ongeveer 12 à 13 jaar na Ezra.

Na de Babylonische ballingschap kwamen, in het Perzische Rijk, veel joden op belangrijke maatschappelijke posities terecht. Mordechai, de oom van Ester, was zo’n man, alsmede Nehemia. Hij was de “schenker” van de Koning. Nu denken wij vaak dat dat iemand is die het wijnglas van de Koning vult, maar deze functie was veel belangrijker. Hij was een vertrouwenspersoon van de Koning en verantwoordelijk voor diens’ leven; hij moest er voor zorgen dat de Koning niet het slachtoffer werd van vergiftiging en moest dus zijn leven bewaken. Hij kreeg van deKoning van de Perzen toestemming om naar Jeruzalem te gaan en de stadsmuren te herstellen.

Het boek Nehemia is onder te verdelen in drie delen:

  1. Komst van Nehemia naar Jeruzalem en het herstel van de muur (1-7);
  2. Geestelijke opwekking (8-10);
  3. Herstel van Jeruzalem, herbevolking (11-13).

Eén van de opvallendste “sterke punten” van Nehemia was dat hij in staat was het volk te motiveren de stad in alle opzichten te herstellen. Hij moedigde ze aan, maar dat niet alleen: hij was zelf ook een mede-arbeider, een “meewerkend voorman”. Hij was daarin een voorbeeld voor anderen, omdat hij deze arbeid 12 jaar lang verrichte zonder betaling te accepteren hiervoor (middels heffing van de belasting die hij mócht heffen maar naliet):

Nehemia 5:14
Ook hebben van de dag af, dat koning Artachsasta mij aanstelde tot landvoogd over het land Juda, van zijn twintigste tot zijn tweeëndertigste regeringsjaar, twaalf jaar lang, noch ik, noch mijn broeders het brood van een landvoogd gegeten.

In hoofdstuk 8-9 komen we Ezra tegen.

Nehemia 8:2-4
..En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de HERE aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet vóór de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein vóór de Waterpoort..

In die tijd waren de synagogen, in primitieve vorm, reeds in opkomst: leerhuizen waar men samenkwam om de Wet te lezen en God te dienen. Het verklaren en uitleggen van de Wet was één van de functies van de synagogen waarin werd voorzien door de schriftgeleerden – een titel die waarschijnlijk van Ezra’s aanduiding is afgeleid, aangezien hij voor het eerst een ‘schriftgeleerde’ werd genoemd. Onderwijs in de Wet, de Profeten en de Geschriften nam een steeds belangrijker plaats in onder het Joodse volk.

Het onderwijs van Ezra zorgde voor een geestelijke opwekking. Het volk leerde (weer) God te dienen. Door het onderwijs kreeg het geloof van de mensen ‘vaste grond’ in de Schriften en het onderwijs leidde tot schuldbelijdenis. Het besef, en belijden, van zonde en schuld ligt altijd aan ten grondslag aan bekering en opwekking.

ESTER
Het boek Ester is -samen met Ruth- één van de weinige boeken waarin een vrouw een centrale rol speelt; zelfs zodanig dat het boek naar haar vernoemd is. De schrijver van het boek is onbekend. De beschreven gebeurtenissen vonden plaats -zoals eerder gezegd- tussen het éérste en twééde deel van Ezra.

We lezen hier ondermeer over het huwelijk van Ester met Ahosveros, de Koning. Zijn werkelijke naam was Xerxes. Ahosveros is dan ook geen náám maar een titel.

Het verhaal handelt over de Joden, en hun omstandigheden, in de diaspora. Ester’s houding is er een van groot geloof en Godsvertrouwen. Desondanks wordt God’s naam nergens in het boek genoemd. Echter, zoals Matthew Henry zei: “Als God’s naam niet aanwezig is, is zijn vinger dat wel!”.

I & II Koningen

Net als het boek Samuël was het boek Koningen oorspronkelijk één boek en later in twee delen gesplitst door de vertalers van de Septuagint. Zij noemden deze boeken III en IV Koningen, omdat zij de boeken van Samuël I & II Koningen hadden genoemd. Vandaar ook dat in de Engelse vertaling (KJV) bij I en II Koningen als onderschrift is vermeld: “Commonly called the third book of the Kings” (I Kon.) en “Commonly called the third book of the Kings” (II Kon). Volgens de Talmud zijn I en II Koningen -in hun huidige vorm- door Jeremia op schrift gesteld.

De indeling van I Koningen kan grofweg in 2 delen gedaan worden:

  1. De dood van David, de regering van Salomo (1-11)
  2. Koningen van Juda en Israël (12-22).

De Scofield-bijbel maakt een wat minder grove indeling en onderscheid 7 (boek)delen, naar de beschreven geschiedenissen. Het boek beslaat een periode van 118 jaar en tekent een pijnlijke geschiedenis. Eérst de enorme ontwikkeling van het rijk, de bouw van de Tempel, etc. onder Salomo. Maar daarna een verdeeld rijk..

I & II Koningen beslaan samen een periode van ongeveer 400 jaar: van David’s dood tot en met de Babylonische ballingschap van Juda (inclusief Benjamin en Levi).

In deze boeken zien we, na de regering van Salomo, in Israël 19 koningen (tot aan de Assyrische ballingschap). Géén van deze koningen was goed in de ogen van de Here in die zin dat ze in zonde leefden en het volk verleiden om daarin mee te doen! Veel van hen kwamen aan hun einde doordat ze vermoord werden. In totaal regeerden 9 verschillende families over Israël.

Juda werd, tot aan de Babylonische ballingschap, eveneens door 19 koningen geregeerd. Deze koningen regeerden over het algemeen veel langer. Elf waren er ‘slecht’ en acht waren er goed. De acht die ‘goed’ waren, oftewel God dienden, regeerden samen lánger dan de elf die afgoden naliepen.

II Koningen kan worden onderverdeeld in:

  1. Koningen Israël tot aan de Assyrische ballingschap (1-17);
  2. De verwerping en de val van het Koninkrijk Juda (18-25).

In de geschiedschrijving is meer aandacht voor Israël dan voor Juda. II Koningen vormt de historische achtergrond voor de ‘schrijvende profeten’. Wat dat aangaat kan worden gesteld dat wat Handelingen is voor de gemeente, is Koningen voor Israël. De wording van het rijk, de uitverkiezing van het huis van David, de ballingschappen, de profetieën, etc.. Het vormt de achtergrond van de grote profeten.

Juda en Israël kenden in deze periode grote bloei, maar ook diepe dalen. Vooral in geestelijk opzicht. Daarnaast was er veel rijkdom, uiterlijk vertoon enz maar ook was er sprake van grove uitbuiting (zie: Amos).

Profeten
In deze boeken zien we dan ook dat het belang van profeten steeds meer toeneemt. Eerder spraken de aartsvaders ook profetisch of hadden visioenen. Maar nu zien we steeds vaker profeten optreden wiens leven helemaal in het teken staat van hun profetische bediening.

In I & II Koningen zien we ondermeer Jehu, Elia -de grote profeet- en Elisa, zijn opvolger. Amos en Hosea profeteerden in Israël, Obacja, Joël, Jesaja, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja en Jeremia in Juda.

Boodschap
De boodschap door “de Koningen” heen is deze: God leert ons de les dat de mens zónder Hem geen echte zegen kan ontvangen, dat het menselijke streven alleen maar tot falen lijdt. Ongehoorzaamheid aan God moet en zal leiden tot oordeel over deze ongehoorzaamheid. Daarnaast zien we dat de voorzegde profetieën letterlijk “tot op de komma” uitkomen.