Tag: Jeruzalem

Klaagliederen

Klaagliederen, houtsnede Gustave Doré

Het boek ‘klaagliederen’ is een kort, poëtisch, boek en geschreven door de profeet Jeremia. Zoals de naam van het boek aangeeft zijn het’klaagzangen’ over de val van Jeruzalem. Er zijn vijf liederen en de vorm is alfabetisch (in onze vertalingen zie je dat niet terug).

De eerste 22 woorden van de verzen in het éérste lied beginnen allemaal met een letter uit het Hebreeuwse alfabet; ook het tweede en vierde hoofdstuk zijn zo ingedeeld. Het derde hoofdstuk is anders gerangschikt in die zin: de eerste drie verzen beginnen met de éérste letter van het alfabet, de daarna volgende drie met de twééde, etc. Het vijfde hoofdstuk heeft ook 22 verzen, maar daar is deze vorm losgelaten.

Het éérste lied beschrijft de toestand waarin de stad zich bevindt na de Babylonische bezetting. Het twééde lied gaat over de oorzaak van deze bezetting; de zonde van het volk was er aanleiding toe dat God oordeel over hen bracht. Het derde verklaart Gods’ doel met deze toestand:

40 Laten we ons leven onderzoeken en doorvorsen, laten we terugkeren naar de HEER, 41 laten we met onze handen ook ons hart opheffen tot God in de hemel.

God gaf zijn volk straf; een straf die Hij hen meerdere malen had aangezegd wanneer ze niet zouden luisteren naar Zijn geboden. Toch lezen we ook -onverwacht wellicht- opbeurende, positieve, dingen. God wordt gedánkt:

22 Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen. 23 Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw! 24 Ik besef: mijn enig bezit is de HEER, al mijn hoop is op hem gevestigd.

In het vierde hoofdstuk lezen we over de verloren glans van Sion (Jeruzalem). Hoe het eens was, en hoe het nu is. In het vijfde hoofdstuk, tot slot, lezen we van Jeruzalem’s smeekbede om genade, om terug te (mogen) keren bij God. Israël had, zo ontdekken we, haar ‘les geleerd’ en berouw.. wat we ook kunnen zien in de klaagliederen is dat God zijn volk inderdaad strafte, maar hier géén plezier in had. Het oordeel werd over hen gebracht zodat ze een kans hadden zich te bekeren.

I & II Kronieken

Ook I & II Kronieken waren, net als Samuël en Koningen, eerst één boek. De originele naam betekent “journalen” of “dagverslag”. De Kronieken moeten niet verward worden met de “kronieken der koningen van Israël” en de “kronieken der koningen van Juda” (1 Kon 22:39, 46). Dit waren namelijk officiële verslagen, zogenaame “rechtbankverslagen”, van de twee landen.

De Kronieken zijn later geschreven dan Koningen, aan het einde van de Babylonische ballingschap, vermoedelijk door Ezra – priester en schrijver. Veel van wat we in Kronieken lezen vinden we ook in Koningen terug. Echter, vanuit een ánder standpunt:

  1. Koningen: de geschiedenissen vanuit regering/politiek beschouwd;
  2. Kronieken: vanuit de ‘geestelijkheid’ (priesters) beschouwd.

Sommigen beweren dat er tegenstrijdigheden zouden zijn in de boeken maar wanneer we weten dat ze allebei vanuit een verschillende invalshoek zijn geschreven ontdekken we: de boeken vullen elkaar áán. In Koningen staat ‘de Troon’ centraal, in Kronieken ‘de Tempel’.

Het centrale thema van Kronieken is de voorbereiding van de bouw van de Tempel, de bouw er van en de diverse reformaties door de koningen.

Kronieken is als volgt in te delen:

I Kronieken

  1. Genealogie
  2. De regering van David

II Kronieken

  1. De regering van Salomo
  2. De Koningen van Juda tot de Babylonische ballingschap.

De opbouw is daarmee grotendeels gelijk aan Koningen. Werd echter in Koningen de meeste aandacht besteed aan Israël (Tien Stammen), hier ligt overduidelijk de nadruk op Juda. Dat is ook logisch: de Tempeldienst was in Juda (Jeruzalem).

Geslachtsregisters
De aandacht voor de geslachtsregisters kent een goede reden; voor het volk Israël waren deze registers zeer belangrijk. Daarnaast leren ze ons ook iets: God handelt met de méns, niet met volken, (politieke) bewegingen e.d. De Kronieken beginnen eenvoudigweg met de opsomming: “Adam, Set, Enos, Kenan, Mahalalel, Jered, Henoch, Metuselach, Lamech, Noach, Sem, Cham en Jafet…“. De mensen die God verkiest -en Zijn beloften aan deze mensen- staan centraal! Het is dan ook geen complete genealogie van de mensheid. Vanaf Adam tot aan de Stam Juda en het uitverkoren koningshuis van Juda, het huis van David.

Israël kende in die tijd al een soort van bevolkingsregister: “Geheel Israël was in registers opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden naar Babel weggevoerd om hun ontrouw.” (1 Kron. 9:1). Wanneer we deze hoofdstukken lezen, áls we ze al lezen!, vinden we dit vaak maar saaie en taaie kost. Al die namen,.. het zegt ons niets.

Troon van David
Maar, zoals gezegd, dienen deze registers een belangrijk doel voor het volk Israël en bovenal is er nog een belangrijke, andere, reden waarom deze registers zelfs in God’s Woord zijn opgenomen! In Matteüs 1 vinden we namelijk het geslachtsregister van Jezus (geredeneerd vanuit zijn menselijke vader, Jozef(*)). Dit was voor de Joden zeer belangrijk omdat Jezus alléén dan de Messias kon zijn wanneer hij een afstammeling, naar de mens, van het huis van David was. En dan is het nóg opmerkelijker het volgende te zien: niet alleen vanuit Jozef -dus naar de mens, of “om de mens tevreden te stellen”- gezien was Jezus afstamming van David, óók Maria stamde uit het huis van David!

In Lukas 3:23 v.v. staat namelijk een ánder, zo op het eerste gezicht, tegenstrijdig geslachtsregister van Jozef. Daar staat dat Jozef de “zoon van Eli” was. Terwijl in Matteüs staat vermeld dat Jozef de “zoon van Jakob” was. Het raadsel wat we hier aantreffen is echter eenvoudig op te lossen: Eli was de vader van Maria. Naar de gewoonte van die tijd echter werd Jozef (Luk. 3:23) “waarvan men meende” dat hij Jezus’ vader was, gerekend tot de huishouding van zijn schoonvader. Vergelijk bijv. 1 Sam 24:17 waar David, die zou gaan trouwen met één van Sauls’ dochters, door Saul als “zoon” gezien wordt.

Een andere opmerkelijkheid in dit verband: Jozef was uit de bloedlijn van Jechonia. Die, hoewel hij recht zou kunnen doen gelden op de troon, deze troon ontzegd was: Jer. 22:29, 30. Maria was uit de lijn van Nathan, een andere zoon van David, die geen rechten konden laten gelden op de troon. Christus Jezus was dus wel degelijk uit het geslacht van David, via Maria, maar had geen rechten op de troon ténzij.. hij gerekend werd als “zoon” van een man die dat wel kon doen: Jozef. Dit toont tévens aan waarom Christus Jezus niet letterlijk een zoon, van vlees en bloed, van Jozef kón en mócht zijn. Was Hij dat wel geweest, dan was het ónmogelijk dat Hij, de Messias, de Troon van David zou kunnen beërven omdat de troon ontzegd was aan deze ‘bloedlijn’. Dit was dan ook de énige manier waarop de Troon van David weer hersteld kon worden!

De profetie is op zeer wonderlijke wijze vervuld in Christus Jezus. In álle opzichten was er een zoon van David die de troon weer kon (kan) opeisen! Naar de mens gesproken was deze weg afgesneden, maar de Goddelijke interventie is en profetie is boven alles, boven alle denken verheven.

Geslachtsregisters saai? Ze zijn de sleutel tot de profetie en het verstaan er van!

Reformaties
In II Kronieken lezen we over diverse reformaties in Juda. Een van de grootste koning-reformatoren was Hizkia (zie o.a. 2 Kron. 29, 30). Men is van mening dat Jesaja een drijvende kracht achter Hizkia’s reformatie was.

Daarnaast mag ook Koning Josia niet onvermeld blijven. Op achtjarige leeftijd werd hij Koning en toen hij 16 jaar oud was “begon hij de Here te zoeken”. II Kronieken vermeldt van hem: “Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links.“. Toen hij twintig jaar oud was liet hij Jeruzalem en Juda reinigen van alle afgoderij, hij hakte persoonlijk de wierrookaltaren van de Baäls om en zelfs in grote delen van Israël hield hij “grote schoonmaak” door de afgodsbeelden en altaren te vernietigen. Hij liet de Tempel herstellen en de wet werd teruggevonden en weer ingevoerd.

Helaas volgden na Josia vier andere koningen die het volk, zowel letterlijk als geestelijk, naar de afgrond voerden middels de afgoderij en rebellie tegen God’s Woord. Het resulteerde in de Babylonische ballingschap.

*) Jozef was uiteraard niet de verwekker van Jezus, maar het recht op de troon was vanuit de mánnelijke lijn. Er was voorzegd dat de Messias de troon van David zou erven, zie ondermeer: Jes. 9:7; Jer. 33:15-17; 25:5; Ps. 132:11; 1 Kron 17:11-14.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van:

  • Survey of the Old Testament I, Independent Studies, Moody Bible Institute;
  • De Messias in het Oude en Nieuwe testament, door: Jb. Klein Haneveld
  • NET.Bible, 1st edition

Ezra, Nehemia, Ester

Ezra, Nehemia en Ester gaan alle drie over de geschiedenis ná de Babylonische ballingschap.

EZRA
Met name Ezra (2e deel) en Nehemia zijn aan elkaar gerelateerd. Zij waren tijdgenoten.

De geschiedenis van Ezra, de priester en schrijver, is vastgelegd in het gelijknamige boek. Het boek vertelt over de terugkeer van het volk onder Zerubbabel (een nakomeling van David), de herbouw van de Tempel en de komst -naar Jeruzalem- van Ezra zelf.

Het boek bestaat uit twee onderscheiden delen:

  1. De terugkeer onder Zerubbabel (1-6);
  2. De terugkeer onder Ezra (7-10).

Het boek Daniël heeft -op de achtergrond- een sterke relatie met het boek Ezra. Zo schreef iemand eens “achter het boek Ezra zien we de schaduw van een biddende man”, dat is, uiteraard: Daniël. Hij pleitte voor zijn volk bij de Here en “stond op de beloften”. Naast Daniël was overigens ook Ezechiël één van de naar Babel weggevoerden.

Onder Zerubbabel werd de tempelbouw gestart maar men was niet in staat de herbouw af te maken door de tegenstand van de mensen die waren gaan wonen in het gebied. Onder de regering van Koning Darius werd, aangemoedigd door Haggaï en Zacharia, door het volk weer gestart met de verdere herbouw van de tempel. Ongeveer 20 jaar nadat Zerubbabel de funderingen had gelegd werd de tempelbouw afgerond.

Tussen de éérste (Zerubbabel) en de twééde (Ezra) terugkeer ligt een periode van bijna zestig jaar. Het boek Ester schrijft ondermeer over wat er in die tussenliggende periode gebeurd is. De tegenstand tegen de joden, in Jeruzalem, heeft daarom wellicht een relatie met Haman de Syriër’s poging om de joden uit te roeien.

In het tweede deel van Ezra lezen we over Ezra’s eigen terugkeer naar Jeruzalem. Hij was een afstammeling van Aaron, een priester uit het hogepriesterlijke geslacht. Hij was ook een ‘schrijver’; een aanduiding voor die priesters die verantwoordelijk waren voor het kopieëren van de Heilige Schrift. Ezra’s bediening was voornamelijk gééstelijk. Hij onderwees het volk in de Wet en de aanbiddingsdienst.

NEHEMIA
Nehemia heeft dezelfde historische achtergrond als Ezra (2e deel). Nehemia’s boek begint ongeveer 12 à 13 jaar na Ezra.

Na de Babylonische ballingschap kwamen, in het Perzische Rijk, veel joden op belangrijke maatschappelijke posities terecht. Mordechai, de oom van Ester, was zo’n man, alsmede Nehemia. Hij was de “schenker” van de Koning. Nu denken wij vaak dat dat iemand is die het wijnglas van de Koning vult, maar deze functie was veel belangrijker. Hij was een vertrouwenspersoon van de Koning en verantwoordelijk voor diens’ leven; hij moest er voor zorgen dat de Koning niet het slachtoffer werd van vergiftiging en moest dus zijn leven bewaken. Hij kreeg van deKoning van de Perzen toestemming om naar Jeruzalem te gaan en de stadsmuren te herstellen.

Het boek Nehemia is onder te verdelen in drie delen:

  1. Komst van Nehemia naar Jeruzalem en het herstel van de muur (1-7);
  2. Geestelijke opwekking (8-10);
  3. Herstel van Jeruzalem, herbevolking (11-13).

Eén van de opvallendste “sterke punten” van Nehemia was dat hij in staat was het volk te motiveren de stad in alle opzichten te herstellen. Hij moedigde ze aan, maar dat niet alleen: hij was zelf ook een mede-arbeider, een “meewerkend voorman”. Hij was daarin een voorbeeld voor anderen, omdat hij deze arbeid 12 jaar lang verrichte zonder betaling te accepteren hiervoor (middels heffing van de belasting die hij mócht heffen maar naliet):

Nehemia 5:14
Ook hebben van de dag af, dat koning Artachsasta mij aanstelde tot landvoogd over het land Juda, van zijn twintigste tot zijn tweeëndertigste regeringsjaar, twaalf jaar lang, noch ik, noch mijn broeders het brood van een landvoogd gegeten.

In hoofdstuk 8-9 komen we Ezra tegen.

Nehemia 8:2-4
..En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de HERE aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet vóór de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein vóór de Waterpoort..

In die tijd waren de synagogen, in primitieve vorm, reeds in opkomst: leerhuizen waar men samenkwam om de Wet te lezen en God te dienen. Het verklaren en uitleggen van de Wet was één van de functies van de synagogen waarin werd voorzien door de schriftgeleerden – een titel die waarschijnlijk van Ezra’s aanduiding is afgeleid, aangezien hij voor het eerst een ‘schriftgeleerde’ werd genoemd. Onderwijs in de Wet, de Profeten en de Geschriften nam een steeds belangrijker plaats in onder het Joodse volk.

Het onderwijs van Ezra zorgde voor een geestelijke opwekking. Het volk leerde (weer) God te dienen. Door het onderwijs kreeg het geloof van de mensen ‘vaste grond’ in de Schriften en het onderwijs leidde tot schuldbelijdenis. Het besef, en belijden, van zonde en schuld ligt altijd aan ten grondslag aan bekering en opwekking.

ESTER
Het boek Ester is -samen met Ruth- één van de weinige boeken waarin een vrouw een centrale rol speelt; zelfs zodanig dat het boek naar haar vernoemd is. De schrijver van het boek is onbekend. De beschreven gebeurtenissen vonden plaats -zoals eerder gezegd- tussen het éérste en twééde deel van Ezra.

We lezen hier ondermeer over het huwelijk van Ester met Ahosveros, de Koning. Zijn werkelijke naam was Xerxes. Ahosveros is dan ook geen náám maar een titel.

Het verhaal handelt over de Joden, en hun omstandigheden, in de diaspora. Ester’s houding is er een van groot geloof en Godsvertrouwen. Desondanks wordt God’s naam nergens in het boek genoemd. Echter, zoals Matthew Henry zei: “Als God’s naam niet aanwezig is, is zijn vinger dat wel!”.