Tag: Tempel

Bouwen met de Buit

De relatie tussen het Oude en Nieuwe Testament in de bouw van de Tabernakel, de Tempel en het ontstaan van de Gemeente is een bijzondere relatie.

Tempel van Jeruzalem - Open Source Wikimedia

Er zijn meer overeenkomsten dan wij op het eerste gezicht denken. Wie was de ontwerper, wie was de bouwmeester? Waarom was de ‘buit’ die gebruikt werd belangrijk voor de Tabernakel en de Tempel én, .. wat was dan de buit in die zin in het geval van de Gemeente?

Jesaja 49:25 (NBG51). Maar zo zegt de Here: Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit van een geweldige. Ik zelf zal strijden tegen uw bestrijders en Ik zelf zal uw zonen redden.

Bij het bestuderen van het Oude Testament viel mij, naar aanleiding van de paralel die er is tussen de Tabernakel en de Tempel, iets op. Er werd in beide gevallen gesproken over ‘oorlogsbuit’ die als basis diende voor de bouw. Maar ook het Nieuwe Testament spreekt over ‘buit’…

Daarnaast zijn er nog een paar andere paralellen te zien tussen de Tabernakel en de Tempel. En, er is eveneens een paralel in het Nieuwe Testament.

Deze drie overeenkomsten zijn dermate bijzonder dat verder onderzoek natuurlijk niet alleen interessant is maar ons ook een paar belangrijke geestelijke lessen kan leren. Wat vertelt het Oude Testament, wanneer er gesproken wordt over de Tabernakel en de Tempel, ons over het Nieuwe Testament?

In Exodus 3:20-22 lezen we: 20 Daarom zal Ik Mijn hand uitstrekken en Egypte treffen met al Mijn wonderen die Ik te midden daarvan doen zal. Daarna zal hij u laten gaan. 21 En Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren. En het zal gebeuren dat u, als u weggaat, niet met lege handen gaat. 22 Elke vrouw moet aan haar buurvrouw en aan haar huisgenote zilveren en gouden voorwerpen vragen, en kleren, die u uw zonen en dochters te dragen moet geven. Zo zult u Egypte beroven. – Zie ook Exodus 12:35, 36.

Als je dat leest denk je onwillekeurig “wat raar, waarom moeten de Israëlieten ‘buit’ meenemen van de Egyptenaren?”. Wat heb je aan al dat zilver en goud als je als volk de woestijn in trekt? En wat heeft dat te maken met de Gemeente, de Kerk?

Lees verder (15 pagina’s A4, PDF formaat)

Ezechiël – de Heerlijkheid van God

Ezechiël was onder de mensen die tijdens de 3e, en laatste, Babylonische invasie gevangen werd genomen en meegenomen werd naar Babylon. In het 5e jaar van zijn gevangenschap, toen hij dertig jaar oud was, werd hij door God geroepen als profeet.

Net als Jeremia, die op dat moment nog als profeet in Jeruzalem was, was hij zowel priester als profeet. Waarschijnlijk was Daniël van ongeveer dezelfde leeftijd als Ezechiël. De profetieën in het boek kwamen in een periode van ongeveer 22 jaar tot stand.

Vorm en stijl
De profetieën van Ezechiel zijn over het algemeen in de ‘apocalyptische’ stijl, net als Daniël en Openbaringen. In het boek is sprake van veel symboliek en imaginaire woordgebruik, waardoor het niet eenvoudig is het boek te begrijpen.

Bepaalde uitdrukkingen komen in het boek veelvuldig voor. Zo wordt Ezechiël 91 keer aangesproken als ‘mensenzoon’. Ook de uitdrukking ‘de hand des heren was op mij’ (of ‘hem’) komt vaak voor. Tot zeventig maal lezen we ‘en zij zullen weten dat Ik de Here ben’.

Structuur van het boek
We moeten bij het lezen in gedachten houden dat Ezechiël al geruime tijd vóór de vernietiging van Jeruzalem begon te profeteren. Chronologisch gezien kan het boek dus als volgt worden ingedeeld:

I. Profetieën van vóór de vernietiging van Jeruzalem

  • Profetieën aan- of tegen Juda (1-24);
  • Profetieën aan- tegen de heidenen (25-32);

II. Profetieën gegeven ná de vernietiging van Jeruzalem

  • Profetieën over het Nieuwe Leven (33-37);
  • Profetieën over Gog en Magog (38-39);
  • Israël in het Duizendjarig Rijk (40-48).

Ezechiël werd door de Here geroepen om tot een rebels volk te gaan welke Zijn Woord niet wilde horen:

Ezechiël 2:3,4
3 Hij zeide tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn van Mij afgevallen tot op deze eigen dag; 4 zelfs de kinderen zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here HERE.

Maar of zij nu wilden luisteren of niet, het was Ezechiël’s opdracht te gaan en het Woord van de Here te brengen aan ze. Hij moet spreken over het komende oordeel over Jeruzalem (4-7). In hoofdstuk 8 wordt hij, in een visioen, meegenomen naar Jeruzalem en ziet de ‘heerlijkheid van God’ uit de Tempel vertrekken.

We lezen hierover in hoofdstuk 11:
22 Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de God van Israël boven over hen was; 23 de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt.

De Here kon niet meer verdragen wat er gebeurde in Jeruzalem, Zijn stad en woning!, en vertrok vandaar zoals hij er ook ooit eens zijn intrek had genomen toen Salomo:

2 Kron. 7:1, 2
1 Zodra Salomo zijn gebed geëindigd had, daalde vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis. 2 De priesters konden het huis des HEREN niet binnengaan, want de heerlijkheid des HEREN had het huis des HEREN vervuld.

De priesters konden er niet binnengaan! Opvallend is, in Ezechiël, dat de Heerlijkheid des Heren, in hoofdstuk 10, ‘op de drempel staat’ oftewel op het punt te vertrekken uit de Tempel en dat het volgende wat gebeurt de dood is van Pelatja – één van de vorsten van het volk die het volk verleid tot afkeer van God – die, volgens 11:1 bij dezelfde poort was als waar de Heerlijkheid des Heren de Tempel verliet. Hij valt dood neer. Dit doet ons denken aan het feit dat de Bijbel leert dat niemand kan leven als hij God heeft gezien… Het wordt niet duidelijk of dat de doodsoorzaak is van Pelatja, maar het verband lijkt er te zijn.
Via Ezechiël laat de Here weten dat er géén koningen (uit het huis van Juda uiteraard) meer in het land zullen zijn tótdat de Messias komt. Door het overlijden van zijn vrouw, waar hij klaarblijkelijk zielsveel van hield aangezien zij “de lust van zijn leven” (24:16) wordt genoemd, wordt Ezechiël zélf –uiteindelijk- een teken voor het volk. Hij mag over haar géén publiekelijke rouw bedrijven, net zoals dat Israël géén rouw mag bedrijven over het ontnomen worden van háár “lust van haar leven”; de Tempel wordt verwoest, God verlaat hen, en ze mogen er géén rouw over bedrijven.

Nieuw leven
Door de profetieën van Ezechiël heen klinkt een betere toekomst; het nieuwe leven, de komst van de Messias en het herstel van Israël.

Ezechiël 36
33 Zo spreekt de Here HERE: Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden; 34 het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger. 35 En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond. 36 Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de HERE, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen. 37 Zo zegt de Here HERE: Ook dit zal Ik Mij door het huis Israëls laten afsmeken om hun te doen: Ik zal hen zo talrijk aan mensen maken als een kudde schapen; 38 zo vol als met een kudde offerschapen, als met de kudde schapen op Jeruzalems feesten, zó vol zullen de verwoeste steden zijn met mensenkudden. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

De herbouwde Tempel
Ezechiël profeteert over de herbouw van de Tempel en het herstel van Israël –met name over Israël in het Millennium- in hoofdstuk 40-48. Sommigen menen dat de na de ballingschap herbouwde Tempel dit geprofeteerde herstel was. Dat is echter onjuist; ten eerste stelden de Israëlieten toen al met verdriet vast dat het een Tempel was die niet in de scháduw kon staan van Salomo’s Tempel (zie Ezra, Nehemia) maar belangrijker is het tweede punt: in de door Ezechiël geprofeteerde Tempel zal de Heerlijkheid van God weer aanwezig zijn!

De Here vertrok “oostwaarts” en keert ook weer terug vanuit het oosten. Hij gaat naar ‘de berg’, en in Zach 14:3-6 lezen we welke berg dat is: de Olijfberg! Dáár zal de Here zichtbaar terugkeren!

De terugkeer van de Here, in de door Ezechiël geprofeteerde Tempel, is dus het moment van de totale bevrijding van Israël. Het is ook het moment dat Israël zich zal bekeren en in de Tempel zal niemand zijn die ongelovig, onbekeerd, is (Ez 44:9 “Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan”).

De Here Jezus bevond zich veel op de Olijfberg: “En Hij verliet de stad en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg” (Luk. 22:39) en we weten nu dus ook waarom: het was de plaats waar de Here God zich naar had teruggetrokken

De aanwezigheid van de Here God, in Jeruzalem, in de Tempel, zal het belangrijkste kenmerk zijn, het -om het zo maar eens te zeggen- hoogtepunt en duidelijkste teken van het totale herstel van Israël in het Duizendjarige Rijk, het Millenium. Van daaruit zal de aarde geregeerd worden. En daarom ook zal er geen enkele ‘onbesnedene van hart én lichaam’ aanwezig kunnen zijn op die plaats, waar God’s Heerljikheid is!

I & II Kronieken

Ook I & II Kronieken waren, net als Samuël en Koningen, eerst één boek. De originele naam betekent “journalen” of “dagverslag”. De Kronieken moeten niet verward worden met de “kronieken der koningen van Israël” en de “kronieken der koningen van Juda” (1 Kon 22:39, 46). Dit waren namelijk officiële verslagen, zogenaame “rechtbankverslagen”, van de twee landen.

De Kronieken zijn later geschreven dan Koningen, aan het einde van de Babylonische ballingschap, vermoedelijk door Ezra – priester en schrijver. Veel van wat we in Kronieken lezen vinden we ook in Koningen terug. Echter, vanuit een ánder standpunt:

  1. Koningen: de geschiedenissen vanuit regering/politiek beschouwd;
  2. Kronieken: vanuit de ‘geestelijkheid’ (priesters) beschouwd.

Sommigen beweren dat er tegenstrijdigheden zouden zijn in de boeken maar wanneer we weten dat ze allebei vanuit een verschillende invalshoek zijn geschreven ontdekken we: de boeken vullen elkaar áán. In Koningen staat ‘de Troon’ centraal, in Kronieken ‘de Tempel’.

Het centrale thema van Kronieken is de voorbereiding van de bouw van de Tempel, de bouw er van en de diverse reformaties door de koningen.

Kronieken is als volgt in te delen:

I Kronieken

  1. Genealogie
  2. De regering van David

II Kronieken

  1. De regering van Salomo
  2. De Koningen van Juda tot de Babylonische ballingschap.

De opbouw is daarmee grotendeels gelijk aan Koningen. Werd echter in Koningen de meeste aandacht besteed aan Israël (Tien Stammen), hier ligt overduidelijk de nadruk op Juda. Dat is ook logisch: de Tempeldienst was in Juda (Jeruzalem).

Geslachtsregisters
De aandacht voor de geslachtsregisters kent een goede reden; voor het volk Israël waren deze registers zeer belangrijk. Daarnaast leren ze ons ook iets: God handelt met de méns, niet met volken, (politieke) bewegingen e.d. De Kronieken beginnen eenvoudigweg met de opsomming: “Adam, Set, Enos, Kenan, Mahalalel, Jered, Henoch, Metuselach, Lamech, Noach, Sem, Cham en Jafet…“. De mensen die God verkiest -en Zijn beloften aan deze mensen- staan centraal! Het is dan ook geen complete genealogie van de mensheid. Vanaf Adam tot aan de Stam Juda en het uitverkoren koningshuis van Juda, het huis van David.

Israël kende in die tijd al een soort van bevolkingsregister: “Geheel Israël was in registers opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden naar Babel weggevoerd om hun ontrouw.” (1 Kron. 9:1). Wanneer we deze hoofdstukken lezen, áls we ze al lezen!, vinden we dit vaak maar saaie en taaie kost. Al die namen,.. het zegt ons niets.

Troon van David
Maar, zoals gezegd, dienen deze registers een belangrijk doel voor het volk Israël en bovenal is er nog een belangrijke, andere, reden waarom deze registers zelfs in God’s Woord zijn opgenomen! In Matteüs 1 vinden we namelijk het geslachtsregister van Jezus (geredeneerd vanuit zijn menselijke vader, Jozef(*)). Dit was voor de Joden zeer belangrijk omdat Jezus alléén dan de Messias kon zijn wanneer hij een afstammeling, naar de mens, van het huis van David was. En dan is het nóg opmerkelijker het volgende te zien: niet alleen vanuit Jozef -dus naar de mens, of “om de mens tevreden te stellen”- gezien was Jezus afstamming van David, óók Maria stamde uit het huis van David!

In Lukas 3:23 v.v. staat namelijk een ánder, zo op het eerste gezicht, tegenstrijdig geslachtsregister van Jozef. Daar staat dat Jozef de “zoon van Eli” was. Terwijl in Matteüs staat vermeld dat Jozef de “zoon van Jakob” was. Het raadsel wat we hier aantreffen is echter eenvoudig op te lossen: Eli was de vader van Maria. Naar de gewoonte van die tijd echter werd Jozef (Luk. 3:23) “waarvan men meende” dat hij Jezus’ vader was, gerekend tot de huishouding van zijn schoonvader. Vergelijk bijv. 1 Sam 24:17 waar David, die zou gaan trouwen met één van Sauls’ dochters, door Saul als “zoon” gezien wordt.

Een andere opmerkelijkheid in dit verband: Jozef was uit de bloedlijn van Jechonia. Die, hoewel hij recht zou kunnen doen gelden op de troon, deze troon ontzegd was: Jer. 22:29, 30. Maria was uit de lijn van Nathan, een andere zoon van David, die geen rechten konden laten gelden op de troon. Christus Jezus was dus wel degelijk uit het geslacht van David, via Maria, maar had geen rechten op de troon ténzij.. hij gerekend werd als “zoon” van een man die dat wel kon doen: Jozef. Dit toont tévens aan waarom Christus Jezus niet letterlijk een zoon, van vlees en bloed, van Jozef kón en mócht zijn. Was Hij dat wel geweest, dan was het ónmogelijk dat Hij, de Messias, de Troon van David zou kunnen beërven omdat de troon ontzegd was aan deze ‘bloedlijn’. Dit was dan ook de énige manier waarop de Troon van David weer hersteld kon worden!

De profetie is op zeer wonderlijke wijze vervuld in Christus Jezus. In álle opzichten was er een zoon van David die de troon weer kon (kan) opeisen! Naar de mens gesproken was deze weg afgesneden, maar de Goddelijke interventie is en profetie is boven alles, boven alle denken verheven.

Geslachtsregisters saai? Ze zijn de sleutel tot de profetie en het verstaan er van!

Reformaties
In II Kronieken lezen we over diverse reformaties in Juda. Een van de grootste koning-reformatoren was Hizkia (zie o.a. 2 Kron. 29, 30). Men is van mening dat Jesaja een drijvende kracht achter Hizkia’s reformatie was.

Daarnaast mag ook Koning Josia niet onvermeld blijven. Op achtjarige leeftijd werd hij Koning en toen hij 16 jaar oud was “begon hij de Here te zoeken”. II Kronieken vermeldt van hem: “Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links.“. Toen hij twintig jaar oud was liet hij Jeruzalem en Juda reinigen van alle afgoderij, hij hakte persoonlijk de wierrookaltaren van de Baäls om en zelfs in grote delen van Israël hield hij “grote schoonmaak” door de afgodsbeelden en altaren te vernietigen. Hij liet de Tempel herstellen en de wet werd teruggevonden en weer ingevoerd.

Helaas volgden na Josia vier andere koningen die het volk, zowel letterlijk als geestelijk, naar de afgrond voerden middels de afgoderij en rebellie tegen God’s Woord. Het resulteerde in de Babylonische ballingschap.

*) Jozef was uiteraard niet de verwekker van Jezus, maar het recht op de troon was vanuit de mánnelijke lijn. Er was voorzegd dat de Messias de troon van David zou erven, zie ondermeer: Jes. 9:7; Jer. 33:15-17; 25:5; Ps. 132:11; 1 Kron 17:11-14.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van:

  • Survey of the Old Testament I, Independent Studies, Moody Bible Institute;
  • De Messias in het Oude en Nieuwe testament, door: Jb. Klein Haneveld
  • NET.Bible, 1st edition

Ezra, Nehemia, Ester

Ezra, Nehemia en Ester gaan alle drie over de geschiedenis ná de Babylonische ballingschap.

EZRA
Met name Ezra (2e deel) en Nehemia zijn aan elkaar gerelateerd. Zij waren tijdgenoten.

De geschiedenis van Ezra, de priester en schrijver, is vastgelegd in het gelijknamige boek. Het boek vertelt over de terugkeer van het volk onder Zerubbabel (een nakomeling van David), de herbouw van de Tempel en de komst -naar Jeruzalem- van Ezra zelf.

Het boek bestaat uit twee onderscheiden delen:

  1. De terugkeer onder Zerubbabel (1-6);
  2. De terugkeer onder Ezra (7-10).

Het boek Daniël heeft -op de achtergrond- een sterke relatie met het boek Ezra. Zo schreef iemand eens “achter het boek Ezra zien we de schaduw van een biddende man”, dat is, uiteraard: Daniël. Hij pleitte voor zijn volk bij de Here en “stond op de beloften”. Naast Daniël was overigens ook Ezechiël één van de naar Babel weggevoerden.

Onder Zerubbabel werd de tempelbouw gestart maar men was niet in staat de herbouw af te maken door de tegenstand van de mensen die waren gaan wonen in het gebied. Onder de regering van Koning Darius werd, aangemoedigd door Haggaï en Zacharia, door het volk weer gestart met de verdere herbouw van de tempel. Ongeveer 20 jaar nadat Zerubbabel de funderingen had gelegd werd de tempelbouw afgerond.

Tussen de éérste (Zerubbabel) en de twééde (Ezra) terugkeer ligt een periode van bijna zestig jaar. Het boek Ester schrijft ondermeer over wat er in die tussenliggende periode gebeurd is. De tegenstand tegen de joden, in Jeruzalem, heeft daarom wellicht een relatie met Haman de Syriër’s poging om de joden uit te roeien.

In het tweede deel van Ezra lezen we over Ezra’s eigen terugkeer naar Jeruzalem. Hij was een afstammeling van Aaron, een priester uit het hogepriesterlijke geslacht. Hij was ook een ‘schrijver’; een aanduiding voor die priesters die verantwoordelijk waren voor het kopieëren van de Heilige Schrift. Ezra’s bediening was voornamelijk gééstelijk. Hij onderwees het volk in de Wet en de aanbiddingsdienst.

NEHEMIA
Nehemia heeft dezelfde historische achtergrond als Ezra (2e deel). Nehemia’s boek begint ongeveer 12 à 13 jaar na Ezra.

Na de Babylonische ballingschap kwamen, in het Perzische Rijk, veel joden op belangrijke maatschappelijke posities terecht. Mordechai, de oom van Ester, was zo’n man, alsmede Nehemia. Hij was de “schenker” van de Koning. Nu denken wij vaak dat dat iemand is die het wijnglas van de Koning vult, maar deze functie was veel belangrijker. Hij was een vertrouwenspersoon van de Koning en verantwoordelijk voor diens’ leven; hij moest er voor zorgen dat de Koning niet het slachtoffer werd van vergiftiging en moest dus zijn leven bewaken. Hij kreeg van deKoning van de Perzen toestemming om naar Jeruzalem te gaan en de stadsmuren te herstellen.

Het boek Nehemia is onder te verdelen in drie delen:

  1. Komst van Nehemia naar Jeruzalem en het herstel van de muur (1-7);
  2. Geestelijke opwekking (8-10);
  3. Herstel van Jeruzalem, herbevolking (11-13).

Eén van de opvallendste “sterke punten” van Nehemia was dat hij in staat was het volk te motiveren de stad in alle opzichten te herstellen. Hij moedigde ze aan, maar dat niet alleen: hij was zelf ook een mede-arbeider, een “meewerkend voorman”. Hij was daarin een voorbeeld voor anderen, omdat hij deze arbeid 12 jaar lang verrichte zonder betaling te accepteren hiervoor (middels heffing van de belasting die hij mócht heffen maar naliet):

Nehemia 5:14
Ook hebben van de dag af, dat koning Artachsasta mij aanstelde tot landvoogd over het land Juda, van zijn twintigste tot zijn tweeëndertigste regeringsjaar, twaalf jaar lang, noch ik, noch mijn broeders het brood van een landvoogd gegeten.

In hoofdstuk 8-9 komen we Ezra tegen.

Nehemia 8:2-4
..En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de HERE aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de priester Ezra de wet vóór de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. En hij las daaruit voor op het plein vóór de Waterpoort..

In die tijd waren de synagogen, in primitieve vorm, reeds in opkomst: leerhuizen waar men samenkwam om de Wet te lezen en God te dienen. Het verklaren en uitleggen van de Wet was één van de functies van de synagogen waarin werd voorzien door de schriftgeleerden – een titel die waarschijnlijk van Ezra’s aanduiding is afgeleid, aangezien hij voor het eerst een ‘schriftgeleerde’ werd genoemd. Onderwijs in de Wet, de Profeten en de Geschriften nam een steeds belangrijker plaats in onder het Joodse volk.

Het onderwijs van Ezra zorgde voor een geestelijke opwekking. Het volk leerde (weer) God te dienen. Door het onderwijs kreeg het geloof van de mensen ‘vaste grond’ in de Schriften en het onderwijs leidde tot schuldbelijdenis. Het besef, en belijden, van zonde en schuld ligt altijd aan ten grondslag aan bekering en opwekking.

ESTER
Het boek Ester is -samen met Ruth- één van de weinige boeken waarin een vrouw een centrale rol speelt; zelfs zodanig dat het boek naar haar vernoemd is. De schrijver van het boek is onbekend. De beschreven gebeurtenissen vonden plaats -zoals eerder gezegd- tussen het éérste en twééde deel van Ezra.

We lezen hier ondermeer over het huwelijk van Ester met Ahosveros, de Koning. Zijn werkelijke naam was Xerxes. Ahosveros is dan ook geen náám maar een titel.

Het verhaal handelt over de Joden, en hun omstandigheden, in de diaspora. Ester’s houding is er een van groot geloof en Godsvertrouwen. Desondanks wordt God’s naam nergens in het boek genoemd. Echter, zoals Matthew Henry zei: “Als God’s naam niet aanwezig is, is zijn vinger dat wel!”.