Wanneer, en in wie, maakt de Heilige Geest woning?

Print

De Heilige Geest woont in het hart van de mens  vanaf het moment dat deze gelooft in Christus Jezus als de Redder en Verlosser. Jezus, sprekend tot Zijn discipelen, vertelde hen dat de Vader hen de Heilige Geest zou zenden

namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.” – Joh. 14:17

Het is overduidelijk dat ‘de wereld’ –zij die Christus niet kennen en/of verwerpen- de Heilige Geest niet zullen ontvangen. Daarmee is direct de conclusie gerechtvaardigd dat zij die Christus wél kennen, de Heilige Geest wél ontvangen.

De énige voorwaarde voor het ontvangen van de Heilige Geest, de ‘doop met de Heilige Geest’, is dan ook: geloof. Daardoor neemt God, door Zijn Geest, namelijk ‘intrek’ in de mens, woont in hem.

“Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.” – 1 Joh. 4:15

“Jezus antwoordde en zei tegen hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.” – Joh. 14:23

Zie ook: Efeze 3:17, Openbaringen 3:20.

Het is natuurlijk zonder vraag dat dit geloof oprecht en waar moet zijn; wanneer iemand doet alsóf hij of zij gelooft, zal God géén inwoning in het hart van deze mens kunnen en willen maken.

Het is een misvatting te geloven dat de Heilige Geest pas in de gelovige woont ná de wedergeboorte; integendeel: Hij komt in ons op het moment van de wedergeboorte om ons daarmee te Heiligen en één te maken met Christus.

Woont de Geest in het hart van alle gelovigen?

Sommigen menen dat de constante aanwezigheid van de Heilige Geest alleen gegeven wordt aan ‘volwassen’ gelovigen. Of, dat men als gelovige eerst een bijzonder teken moet ervaren –bijvoorbeeld het zogenaamde “spreken in tongen”– als bewijs van de ‘vervulling met de Heilige Geest’.  Dat is echter niet juist. Het is absoluut zo dat de Heilige Geest in iedere gelovige woont; er zijn geen ‘uitwendige’ tekenen nodig als bewijs hiervan. Immers! Zónder de inwoning van de Heilige Geest kan niemand tot Christus behoren?

“Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” – Gal. 4:6.

Met andere woorden; alléén zij die kinderen van God zijn kunnen, door de werking van Gods Geest, uitroepen dat God hun Vader is. Er zijn massa’s mensen op deze aarde, in deze generatie en voorgaande generaties, die konden getuigen dat God hun Abba, hun Vader, was –wat alleen door de inwoning van de Heilige Geest kan, zie eerder!- terwijl van hen bekend is dat zij niet ‘in tongen spreken’ of, sterker nog, dit ‘tongenspreken’ zoals wij dat tegenwoordig kennen, zelfs uitdrukkelijk verwerpen.

Kinderen van God

Doordat een gelovige de Heilige Geest in zich heeft wonen, is de gelovige een kind van God –reden waarom wij Hem, zie eerder, dan ook Vader noemen. Romeinen 8:9, 14 maakt dit overduidelijk:

“zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.”

En niemand is hiervan uitgezonderd immers de Here zei zelf dat Hij en de Vader inwoning zouden maken -door de Geest- in de mens die tot geloof komt (zie eerder, Joh. 14:17, 23).

God is daarmee zeker niet de Vader van een ieder –zoals sommigen ten onrechte menen- en ook de Here Jezus maakt dit duidelijk wanneer Hij tot de farizeeën zegt:

“U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.” – Joh. 8:44.

We kunnen dus stellen dat er twee ‘groepen’ van mensen zijn; zij die tot God behoren, middels wedergeboorte, en zij … die tot het rijk van de duivel behoren. Triest genoeg behoort een ieder die niet gelooft tot dit rijk der duisternis. Oók mensen waarvan wij menen ‘dat zijn toch goede mensen’? En ja, er zijn véél, héél veel, goede mensen. Mensen die handelen naar hun geweten, met respect jegens anderen. Toch behoren zij tot het rijk der duisternis in die zin dat zij het “eigendom” van satan zijn tótdat zij zich bekeren en daarmee intreden in het rijk van God.

Het gaat er niet om of je een goed mens bent, het gaat er om wat je wórdt na je wedergeboorte, namelijk een kind van God. En alleen zij die een kind van God zijn, hebben recht op deze door Hem beloofde erfenis: eeuwig te zijn met Hem.

Als bewijs –als “onderpand” zegt de Bijbel- hiervan ontvangt de gelovige de Heilige Geest 2 Kor 1:22, 5:5

“Die ons ook verzegeld heeft en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven heeft. [..]Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft”.

We zijn “geadopteerd” door God, als Zijn Kinderen

“Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!”
Rom. 8:15.

De Geest, de Heilige Geest, is –om het zo maar eens te zeggen- “de Geest der Adoptie”. Dáárdoor, en alleen daardoor, zijn wij kinderen van God geworden – door de inwoning van die Geest!

Wanneer iemand nu stelt dat het bewijs van de inwoning van- of ‘vervulling’ met de Heilige Geest is dat men spreekt ‘in tongen’ of andere wondertekenen c.q. charismatische ‘gaven’ zich openbaren bij de gelovige dan zegt men feitelijk dat.. bij ieder waar zich die tekenen niet openbaren er géén sprake is van waar geloof! Maar uit het voorgaande blijkt dat er slechts één “teken” is namelijk: belijden van God, van Christus. Een ieder die gelooft en getuigt dat de Here Jezus de HEER is in- en van zijn leven immers is een kind van God en, zo zegt Gods Woord, kan dit alleen zeggen door de Heilige Geest die in hem (of haar) werkt! Dat is dan ook het ENIGE teken van de inwoning van de Heilige Geest welke wij kunnen en moeten erkennen: het getuigenis van de mens dat hij, of zij, de Here Jezus heeft aangenomen. En dat is ook het énige dat van waarde is voor de Here zelf!

“Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.” – Mat. 10:32.

En, zoals nu duidelijk zal zijn, dit belijden kan alleen door de inwoning van Gods Geest en de inwoning van Gods Geest is het onderpand van onze Hemelse toekomst en waardoor we het kindschap, de adoptie-rechten, hebben gekregen.

Zeker weten? Zeker weten!

Maar,… “maar”. Dat ene woordje, of soms twee: “Ja, maar..”. Wist u dat wanneer u op een stelling of opmerking antwoordt met “Ja, maar..” u eigenlijk zegt: “Nee”? U zegt wel “Ja”, maar voegt er iets aan toe of wilt er iets tegenin brengen. Waarmee u “Nee” zegt.

Het is mensen zo éigen om deze eenvoudige, Bijbelse, waarheid te ontkennen. Want, zien we niet liever iets ‘speciaals’ dat er moet gebeuren? Zien we niet liever dat we allerlei “charismatische gaven” ontvangen als “uiterlijke tekenen”? En dan gaan we een belofte als in Markus 16:17, 18 noemen:

“hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.”

Vreemd genoeg wordt deze belofte slechts gedeeltelijk toegepast, voorzover deze ons kennelijk uitkomt. Want,… “slangen zullen zij oppakken”.. “iets dodelijks drinken”? Nou, nee “zo gek zijn we nou ook weer niet”…

Deze tekst vinden wij dan ten eerste ook tussen ‘teksthaken’ en ten tweede worden zij niet gesteund door de parallel teksten. Het is daarmee dan ook zeer aannemelijk dat

  1. Deze tekst later toegevoegd is en;
  2. Zoniet – dat deze tekst bedoeld is geweest voor hen tot wie deze gesproken is: de Apostelen.

Er bestaat zoveel twijfel over dit tekstgedeelte, dat ik het persoonlijk nooit zou willen gebruiken om een dogma uit te dragen hieromtrent.

Zie ook: http://classic.net.bible.org/bible.php?book=Mar&chapter=16#n9

Daarnaast spreekt dit gedeelte niet over het uiten van onverstaanbare klanken, integendeel:

Grk “tongues,” though the word is used figuratively (perhaps as a metonymy of cause for effect). To “speak in tongues” meant to “speak in a foreign language,” though one that was new to the one speaking it and therefore due to supernatural causes.” (NET.Bible, Commentaar)

Spreken in “tongen” betekent dus niets anders dan “spreken in andere talen”, zie ook: https://www.rudybrinkman.nl/bijbelschool/?p=644

Het antwoord op de “Ja, maar…” wordt door de Here zelf gegeven:

“17 namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. 18 Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe. 19 Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar u zult Mij zien, want Ik leef en u zult leven. 20 Op die dag zult u inzien dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u.” – Joh. 14:17-20.

Veel mensen, veel gelovigen, denken dat het zo niet werkt. Ze zijn niet op de hoogte van het werk van de Heilige Geest. Redenen hiervoor zijn:

  1. Onbekend en onwetend
    Ze zijn totaal onbekend met het werk van de Heilige Geest – ze hebben onvoldoende kennis van Gods Woord en begrijpen niet hoe het zit. Dit gebrek aan kennis zouden ze kunnen en moeten opheffen door de bron van kennis tot zich te nemen: Gods Woord. Doen zij dit niet, dan vallen zij makkelijk ten prooi aan dwaling;
  2. Gebaseerd op “ervaringen”
    Anderen baseren hun geloof –ondanks dat zij enige kennis van zaken hebben- op “ervaringen”. De stelling “Ja, maar .. ik ervaar dit zo (of niet)” wordt bóven Gods Woord geplaatst. Het is on-Bijbels om op ervaring, op gevoel, te varen en niet op geloof en kennis van Gods Woord!
  3. Onbeleden zonden
    Een andere, belangrijke, oorzaak voor het niet kennen van het werk van Gods Geest is: onbeleden zonde. Onbeleden zonde zorgt er voor dat Gods Geest gedoofd wordt. Gods Geest woont in deze gelovigen maar wordt door henzelf bedroefd.

Wanneer we zeggen “Ja, maar…” dan willen we eigenlijk iets anders dan wat Gods Woord leert. Bijvoorbeeld dat we als gelovigen een ‘teken’ hebben ter ‘bevestiging’ van de inwoning van Gods Geest. Daarmee laten we ons, wanneer we dat willen, kennen als “zwakke gelovigen”. Zelfs on-gelovigen namelijk kunnen “onverstaanbare klanken” uitstoten; het is een verschijnsel dat in allerlei religieuze belevingen –die tot het rijk van satan behoren!- voorkomt. Een ieder die in één van bovenstaande categorieën valt (en zelfs een ongelovige), kan “in tongen spreken”. Het “spreken in tongen” of andere “cahrismati” zegt daarom niets, helemaal niets, over de inwoning van de Heilige Geest -laat staan dat het er een bewijs van is- of dat de persoon die in “tongen” (glossolalie)  spreekt wel een gelovige –een kind van God- is, integendeel.

Print