Wat zegt de Bijbel over Vluchtelingen?

Print

Het blijft een heet hangijzer, zelfs onder Christenen, wat te doen met het ‘vluchtelingenvraagstuk’. Op sociale media probeer ik langzamerhand het onderwerp steeds meer te mijden want als je het “voor de vluchtingen opneemt” dan ben je “links” of “een struisvogel”.

Wat moet je met het ‘vluchtelingenthema’ vanuit een christelijke optiek? Alle grenzen dicht? Of juist alle grenzen open? En voor wie? Waar trekt je de grens, welk onderscheid maak je?

De politieke waan van de dag

Ik beschouw mijzelf niet als “links”. Ook niet als “rechts”. Naar mijn mening moet je in deze vraagstukken je ook niet laten leiden door de politieke waan van de dag. Laat staan laten beïnvloeden door angstzaaiers die inspelen op onderbuikgevoelens. De terreurdreiging die uit gaat van bepaalde groepen is er inderdaad. Maar in Nederland zijn er, tot op heden, nauwelijks aanslagen van enige betekenis geweest vanuit (met name) islamitische groeperingen.

Natuurlijk ben ik niet achterlijk. De Islam is niet de beweerdelijke Religie van Vrede. Wie de geschiedenis van de Islam bestudeert zal dit snel kunnen zien. De religie is te vuur en te zwaard gebracht, middels oorlogen en onderdrukking heerst zij over haar volgelingen. Dat betekent echter, in mijn optiek, niet dat je mensen die vluchten voor honger, oorlog en natuurrampen op basis van hun religieuze opvattingen moet weigeren onderdak te bieden. In Nederland hebben we dat nooit gedaan. Waarom nu dan wel?

Wat zegt de Bijbel over vluchtelingen?

In Matteüs 24, 25 gaat Jezus in het bijzonder in op “de laatste dagen”. Opmerkelijk is dat juist in dat gedeelte dan ook iets staat over vluchtelingen.

31 Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. 32 En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, 33 en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. 34 Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. 35 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, 36 naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. 37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? 38 Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? 39 Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen? 40 En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders** hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. (Matteüs 25, NBG)

Uiteraard zullen er mensen zijn die in het laatste vers een ‘escape’ zien. Onder het motto “het gaat om de broeders van Jezus en dús de gelovigen”.

Wie zijn de broeders van Jezus?

Die vraag heeft Hij Zelf beantwoord in Mattheüs 12:46-50. Het laatste vers zegt: “Want al wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is, die is Mijn broeder en zuster en moeder.”

Echter in Matteüs 25:40 spreekt Hij over “één van deze mijn minste broeders”. De HSV vertaalt het met “geringste”. En de NBV met “onaanzienlijkste”. De strongs geeft hier het woord <elachistos>, een superlatief van “klein”. Oftewel de “allerkleinste”. De HSV- en NBV-vertaling zijn daarom correct. In vers 45 wordt het nogmaals herhaald: “Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan.”

Dat vers kan (en zal) waarschijnlijk wijzen op hen die het Koninkrijk in mogen gaan.

Maar wie zijn dan de ‘minste’ broeders en zusters? We kunnen kijken naar de opdracht die Jezus geeft aan zijn discipelen. Sluit Hij ook maar iemand uit?

“Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen…” ( Matt. 28:19)

Dit in tegenstelling tot de eerdere opdracht, voor de kruisiging, waarbij Hij hen alléén zond naar de ‘verloren schapen van Israël’. Zijn broeders en zusters ‘naar het vlees’ (afstamming).

Moslims geloven in Jezus. Zij denken dat Hij een belangrijke profeet was. Zij erkennen dat de Bijbel een boek van God is. Zij hebben echter niet het volle zicht op het Evangelie van Christus Jezus. Dit zicht is hen ontnomen door een dwaling. Daarnaast zijn veel moslims Arabieren. Afstammelingen van Abraham via de Egyptische slavin Hagar.

Abraham Hagar Ismaël
Abraham laat zijn zoon Ismaël gaan (Jan Soens) ©Wikipedia

Kinderen van Abraham, in letterlijke én geestelijke zin. Hoewel verblind en dwalend. Zouden zij niet tot de “geringste broeders” kunnen worden gerekend? Kunnen wij hen aanrekenen dat zij geboren zijn binnen een geloofsgemeenschap, een religie, die zegt dat zij vanwege hun geboorte (en niet vanwege hun zelf gekozen overtuiging!) behoren tot de Islam?

Ik zeg niet dat zij ónze broeders en zusters zijn. Dat is ook niet de vraag hier. Het is Jezus die zegt dat het Zijn “geringste broeders (en zusters)” zijn.

Hoe ging Israël met vluchtelingen om?

Hoe ging Israël in het Oude Testament met vluchtelingen om? Laten we eerst eens kijken naar de Israëlieten hun eigen ervaringen (ik noem er maar een paar):

  1. de Israëlieten waren zelf vluchtelingen geweest.
    – Abraham, Isaäk en Jakob zijn alle drie tijdens hun leven gevlucht vanwege hongersnood (Gen. 12:10, 26:1, 42:1-2). Met andere woorden, zij waren “economische vluchtelingen”. De groep die door sommigen in Nederland neerbuigend “gelukszoekers” worden genoemd;
    – Mozes was een vluchteling – hij verbleef veertig jaar in de woestijngebieden van Midjan;
    – Het volk Israël leefde 400 jaar in Egypte als minderheidsgroep en aan het einde van die periode als slaven…
    – Jezus was zélf een vluchteling – dat wil zeggen, zijn ouders. Na zijn geboorte vluchten zij naar Egypte om zichzelf én hun zoon, Jezus, te redden.
  2. de Here zegt dat zij voor de Vreemdeling moeten zorgen.
    Israël was zelf (zie 1e) vluchteling geweest. En ze wisten dus wat het was om te moeten vluchten. Op basis hiervan wordt in de Wet van Israël, bij de Sinaï, vastgelegd dat God bepaalt dat zij vluchtelingen moeten helpen en niet mogen laten omkomen.

Leviticus 19 zegt ondermeer:

9 Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, zult gij de rand van uw veld niet geheel afmaaien, en wat nog is blijven liggen van uw oogst, zult gij niet oplezen. 10 Ook zult gij uw wijngaard niet afzoeken en het afgevallene van uw wijngaard niet oplezen; dit zult gij voor de armen en de vreemdelingen laten liggen: Ik ben de Here, uw God.

en

33 En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken. 34 Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de Here, uw God.

Nu kun je stellen “ja, maar! Wij zijn als Christenen niet meer onder de Wet van Mozes!”. Helemaal juist, het is dan ook alleen ter illustratie aangevoerd. En niet zomaar een illustratie! Het is wat God rechtvaardig vindt. God droeg aan Israël op goed te doen richting de mensen die het nodig hadden. Géén onderscheid werd gemaakt naar de reden van de vlucht. Immers, dat deden anderen ook niet toen Abraham, Izaäk, Jakob, Mozes of Jozef en Maria hun land binnen kwamen als vluchteling?

Daaraan kun je dus zien dat duizenden jaren geleden het ”vluchtelingenprobleem” ook al bestond én hoe God er over denkt: “Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf“.

En dat niet alleen, je moet ook zorgen dat ze niet omkomen van ellende en dus op zijn minst een “bed en brood-regeling” toepassen (Lev. 19:9, 10).

Zendingsopdracht

Molsims of andersgelovigen die ons land binnen komen op zoek naar onderdak en een veilige plek, kun je niet zomaar afwijzen. Sterker nog, hier ligt een grote kans om de zendingsopdracht die wij hebben te vervullen – een kans die wij mogelijk eerder niet hadden om hen te bereiken. Omdat ze in een land woonden waar de grenzen gesloten waren voor het Evangelie.

Conclusie

Steek je je hoofd in het zand als je vindt dat vluchtelingen ongeacht hun levensvisie of religieuze opvatting welkom zijn? Ben je links of rechts? Nee. Ik zie echt wel dat het problemen met zich meebrengt. Anderzijds ben ik van mening, met een beroep op Gods Woord, dat wij hen niet mogen weigeren aan de grens maar samen met hen een oplossing moeten zoeken voor hun problemen. En natuurlijk sluit ik ook niet mijn ogen voor het feit dat er tussen de legitieme vluchtelingen wel eens wat ‘kaf onder het koren’ zit. Dáár kunnen we echter de aangewezen overheidsdiensten voor inschakelen en hen de criminele elementen laten verwijderen en terug sturen.

__
** Noot van vertalers (ook van Nederlandse vertalingen): er kan broeders én zusters worden gelezen hier aangezien het woord niet exclusief duidt op mannen. NET.Bible vertalers merken op: Grk “brothers,” but the Greek word may be used for “brothers and sisters” (cf. BDAG 18 s.v. ἀδελφός 1, where considerable nonbiblical evidence for the plural ἀδελφοί [adelfoi] meaning “brothers and sisters” is cited). In this context Jesus is ultimately speaking of his “followers” (whether men or women, adults or children), but the familial connotation of “brothers and sisters” is also important to retain here.

Print